Klimaatveranderingen zullen grote gevolgen hebben voor zowel de landbouw als de natuur in Nederland. Aanpassing van het grondwaterpeil, de waterberging en de inrichting zijn in de plattelandsontwikkeling noodzakelijk. Wageningen UR heeft voor drie regio’s bestudeerd welke risico’s klimaatverandering opleveren en hoe effectief adaptatiestrategieën zijn. Daarbij is eveneens gekeken naar welke strategieën zich het beste lenen voor een geïntegreerde of een sectorale aanpak.
Grotere periodes van droogte, meer hevige regenval, grotere piekafvoeren van de rivieren en verhoging van de zeespiegel zijn maar enkele voorbeelden van gevolgen die de klimaatveranderingen in de komende decennia zullen hebben. De Nederlandse natuur en landbouw krijgen te maken met problemen als verzilting, vernatting, overstromingen, droogte, ziekten en plagen.
Onderzoekers van Alterra en PRI hebben de afgelopen jaren een analyse gemaakt van de ruimtelijke knelpunten voor natuur en landbouw als gevolg van klimaatverandering. De effecten zijn in een knelpuntenkaart inzichtelijk gemaakt. Daarna zijn strategieën opgesteld om landbouw en natuur te kunnen aanpassen aan de veranderende omstandigheden, de zogeheten adaptatiestrategieën.
Blootstelling aan weersextremen
Voor de bestudering van de gevolgen van klimaatverandering voor de landbouw is vooral gekeken naar de toenemende blootstelling van veel voorkomende landbouwgewassen aan verzilting, vernatting, droogte, ziekten en plagen en weersextremen zoals late vorst en intense en langdurige regenbuien. Voor natuur is gekeken naar de effecten van toenemende blootstelling aan droogte en warmtestress, kusterosie, verzilting en overstromingen/vernatting. Hierbij zijn bestaande knelpunten in ruimtelijke samenhang en het aandeel koudeminnende doelsoorten per natuurtype meegewogen.
Gevoelige natuurtypen
Bij de landbouw komen vooral het westelijk laagveengebied, Flevoland, Oost-Groningen en Zeeland als gevoelig voor meerdere knelpunten naar voren. Voor natuur zijn de zeer gevoelige natuurtypen vooral natte heide en hoogveen (op de hogere zandgronden en in het laagveen- en zeekleigebied) en zoete stilstaande wateren op zeeklei (bijvoorbeeld in Holland en Flevoland).
Om tot gefundeerde beleidsaanbevelingen te komen, is in een vervolgstudie ingezoomd op drie onderling sterk verschillende regio’s: de Kop van Noord-Holland (verzilting en wateroverlast), Zuidwest-Friesland / Noordwest-Overijssel (wateroverlast en droogte) en Oostelijk Noord-Brabant (droogte). Hierbij is gekeken naar de kans dat knelpunten zullen optreden en hoeveel oppervlak ermee is gemoeid. Voor elk gebied zijn op basis van de werkelijke knelpunten adaptatiestrategieën geformuleerd en getoetst op hun effectiviteit en de mate waarin een geïntegreerde aanpak nodig of wenselijk is.
Adaptatiestrategieën
In de vervolgstudie ‘Integratie van adaptatiestrategieën voor landbouw en natuur zijn tien adaptatiestrategieën geselecteerd, die verder zijn uitgewerkt en waarvan de toepassing en bruikbaarheid in andere gebieden in Nederland verder is bestudeerd. De effectiviteit van elke strategie hangt samen met de perceelsgrootte en het schaalniveau waarop de aanpak is gericht. Ook de mate waarin betrokkenheid van boeren en andere stakeholders kan worden bewerkstelligd speelt een rol, evenals het economisch perspectief en de mate waarin technische innovaties voorhanden zijn.
Links: